Deel 2: Contact met Fiom

Over zoeken, schrijven en hopen

Begin

Sommige vragen stel je niet omdat je ze móét weten.
Maar omdat ze anders altijd blijven fluisteren.

Dit is het begin van mijn zoektocht.
Niet naar een perfecte waarheid — maar naar verbinding.
En naar mezelf.

Het moment dat ik bij Fiom kwam.

In september 2001 zat ik voor het eerst bij Fiom in Zwolle.
Een kennismakingsgesprek. Geen dramatisch moment, geen grote woorden.
Maar vanbinnen wist ik: dit is spannend.

Ik wilde contact met mijn biologische moeder.
Niet om haar iets te verwijten. Niet om antwoorden af te dwingen.
Ik wilde begrijpen. Weten waar ik vandaan kom.
En misschien — heel misschien — iets horen wat nog nooit was uitgesproken.

En als ze geen contact zou willen?
Dan zou ik dat moeten respecteren. Maar eerst moest ik het proberen.


De eerste stap… en meteen wachten

Een maand later kreeg ik een begeleider toegewezen. Ik noem haar Marleen.
Met haar sprak ik over mijn vragen, mijn verwachtingen, mijn grenzen.

Fiom nam contact op met de gemeente waar mijn biologische moeder woonde toen ze mij kreeg. Dat klonk als een logische eerste stap.
Maar al snel bleek: niets aan deze zoektocht zou eenvoudig zijn.

De gemeente werkte niet mee.
Informatie liet op zich wachten.
Marleen voerde gesprekken, legde uit wie Fiom is en waarom dit belangrijk was.

En ik? Ik wachtte.


De brief die ik misschien ooit zou sturen

Terwijl de zoektocht vastliep, kreeg ik een andere opdracht:
nadenken over een brief.

Wat zou ik haar willen vragen… als ze zou willen luisteren?

Waarom heeft ze me afgestaan?
Hoe is haar karakter? Hoe ziet ze eruit?
Is er erfelijkheid waar ik rekening mee moet houden?
Heb ik een halfbroer of -zus?
En… wie is mijn vader?

Ik schreef niets op papier.
Maar alles schreef zich vast in mijn hoofd.


Adressen, fouten en stiltes

Maanden gingen voorbij. Het werd 2002.
Begin februari kreeg ik bericht: er was een derde adres gevonden.
Marleen zou, na haar vakantie, een standaardbrief sturen.


Voorbeeld van zo'n standaard eerste brief:

Geachte mevrouw,

FIOM heeft het verzoek ontvangen van een persoon uit uw verleden die graag met u in contact zou willen komen.
Deze persoon heeft FIOM gevraagd dit contact via ons te laten verlopen.

Wij nemen daarom contact met u op om te bespreken of u openstaat voor het ontvangen van meer informatie.
Als u dat wenst, kunnen wij u telefonisch toelichten wie deze persoon is en wat de aanleiding van het verzoek is.

Wij verzoeken u vriendelijk om, indien u daarvoor openstaat, op één van de onderstaande momenten telefonisch contact met ons op te nemen:

  • [datum] tussen 12.00 en 13.00 uur

  • [datum] tussen 12.00 en 13.00 uur

U bent uiteraard niet verplicht te reageren. Mocht u geen contact wensen, dan respecteren wij dat volledig.

Met vriendelijke groet,
FIOM


Ondertussen, wachtte ik..

In april 2002 belde ik zelf.
Marleen bleek langdurig ziek te zijn en zou stoppen met werken. Mijn dossier werd overgedragen.
Niemand kon me vertellen hoe lang dit nog zou duren.

Wat volgde was verwarring.
Meerdere adressen. Verhuizingen. Fouten. Brieven die elkaar opvolgden.
Pas eind juni werd duidelijk: er was een vijfde adres gevonden.

En daarna… werd het weer stil.


“Ze heeft gebeld”

Medio augustus 2002 kreeg ik een nieuwe begeleider: Ik noem haar Lien, (alle namen die ik hier gebruik zijn fictief)
Eind augustus ging de standaard brief (zie hierboven) eindelijk op de post.

In die brief stond dat iemand “van vroeger” naar haar op zoek was, spannend!

Twee weken later belde Lien mij.
Ik heb je biologische moeder gesproken!

Ze wilde eerst schrijven.
Ze vroeg om een foto van mij — een foto waar ik helemaal op stond.
Ze zei dat ze me graag wilde ontmoeten bij Fiom.

En ze zei iets wat me raakte:
Dat ze het altijd jammer had gevonden dat ze me vroeger geen naam had gegeven.



Hoe het contact verder verliep, kun je lezen in Deel 3: Voorzichtig contact.
Achteraf denk ik dat ik misschien wel té veel geduld heb gehad…